De ene inflatie is de andere niet

Column | Website: www.ohv.nl | Nog geen reacties

In juni 1992 danste Nederland op de tune van Rhythm is a dancer, genoot het land van de zomerachtige avonden onder het genot van Knockin’ on heaven’s door van Guns n’ Roses en juichte alles en iedereen toen Oranje met onder meer Bergkamp, Rijkaard en Van Breukelen op doel Duitsland versloeg op het EK in Zweden. 1992 Was ook het jaar van bijna 4 procent inflatie in de VS. Bergkamp en de zijnen spelen niet meer, de genoemde liedjes keren niet terug in de top-40 lijst maar de inflatie is wél terug.  

De Amerikaanse inflatie is in mei uitgekomen op 3,9 procent vergeleken met mei 2020. Ten opzichte van april dit jaar lagen de prijzen 0,4 procent hoger, meldde het Amerikaanse bureau voor de statistiek. De zogeheten kerninflatie, dat is inflatie zonder de volatiele voedsel- en energieprijzen, bedroeg 3,4 respectievelijk 0,5 procent. Het was de snelste stijging sinds 1992.

Het gaat hier om de PCE-inflatie index, niet de veel bekendere CPI-maatstaf. CPI is veel bekender. Wanneer er in de media over inflatie wordt geschreven, dan gaat het over die maatstaf. Die wordt ook gebruikt om uitkeringen in de VS te indexeren en de rentevergoeding op TIPS, inflatie-beschermde Amerikaanse staatsobligaties, te bepalen.

De Fed kijkt echter naar de PCE-inflatie en dan vooral het kerndeel ervan. Dus als de Fed zegt naar 2 procent inflatie te streven, dan bedoelt de bank daarmee 2 procent kern PCE-inflatie. Dat lijkt een linguïstische muggenzifterij te zijn maar is dat allesbehalve.

“Dat lijkt een linguïstische muggenzifterij te zijn maar is dat allesbehalve”

CPI, de inflatiemaatstaf waar de gewone man dus mee te maken heeft (als de lonen aan inflatie worden aangepast, dan wordt daarvoor doorgaans CPI gebruikt) ligt namelijk doorgaans hoger dan de PCE-inflatie. Het gaat om ongeveer een half procentpunt verschil elk jaar. Dat is het gemiddelde, soms is het verschil veel groter. Zoals bijvoorbeeld in mei dit jaar. Terwijl de inflatie volgens de PCE-maatstaf dus 3,9 procent is geweest, was die volgens de CPI-methodiek echter 5 procent.

Het gemiddelde verschil van om en nabij een half procentpunt per jaar klinkt niet veel maar dat is een soort optische illusie. Een half procentpunt per jaar gedurende bijvoorbeeld een decennium, tikt behoorlijk aan, zeker voor de middenklasse en de armere deel van de bevolking.

Het verschil tussen de twee indices wordt veroorzaakt door een aantal verschillen. Zo is het mandje met goederen en diensten niet gelijk. In het CPI-mandje zitten sommige zorguitgaven niet bij. Bij de berekening van de PCE-inflatie vervangen de statistici die goederen die relatief duurder worden door een goedkoper alternatief of er minder van kopen. Als rundvlees duurder wordt bijvoorbeeld, neemt PCE-index aan dat de Amerikanen minder rundvlees kopen. Bij CPI blijft het aandeel van uitgaven aan rundvlees ruwweg gelijk.

De ene inflatie is de andere nietIn de kern-CPI-inflatie wegen zaken waar veel Amerikanen regelmatig geld aan uitgeven, zoals tweedehandsauto’s of huur zwaarder dan bij de kern-PCE-inflatie. Ook de premie voor zorgverzekeringen zijn wel te vinden in CPI-index maar niet in de PCE-versie.

Tot slot is de bron van prijzen die gebruikt worden de inflatie uit te rekenen, verschillend. De statisticus die de CPI-inflatie berekent, vraag de consument naar de prijzen die hij betaald heeft en werkt daarmee. Zijn collega die de PCE-geldontwaarding moet uitvogelen, vraagt bedrijven naar de prijzen die ze in rekening hebben gebracht.

Het inflatiecijfer voor de maand mei helpt niet veel om dé vraag onder beleggers, economen, analisten en centrale bankier te beantwoorden, namelijk is de recente stijging van de inflatie tijdelijk of niet. In mijn optiek wijzen de cijfers over de maand mei eerder erop dat de inflatiestijging voor een belangrijk deel níet tijdelijk zal blijken te zijn. De enige manier waarop de recente hoge inflatie eind dit jaar en begin volgend jaar zal wegebben, is als de maand-op-maand cijfers vanaf mei niet veel hoger dan 0,2 of 0,3 procent worden.


Deel dit artikel

Geschreven door:

Edin Mujagić

Edin Mujagić (1977) is macro-econoom en sinds februari 2018 hoofdeconoom bij OHV Vermogensbeheer. Hij is gespecialiseerd in (het beleid van) de centrale banken. Edin is auteur van meerdere boeken op monetair gebied, zoals ‘Boeiend en geboeid: een monetaire geschiedenis van Nederland sinds 1814/1816’ (2016) en Geldmoord (2012) en is lid van de Monetaire Kring, een discussieforum bestaande uit de hoogste ambtenaren bij de centrale bank, het Ministerie van Financiën, hoogleraren economie en senior managers bij pensioenfondsen, banken en andere financiële instellingen.


  • Volg mij via
Bekijk alle 31 berichten van Edin Mujagić

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar het columns overzicht

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies om u de beste surfervaring te geven. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op 'Accepteren' hieronder, dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten